Samen Minder Vrij

De staat kan geen vrijheid creëren, alleen wegnemen. Dit feit wordt compleet helder na een korte analyse van het concept van vrijheid. Mensen hebben verschillende ideeën over het woord vrijheid, maar vraag je diezelfde mensen om het woord vrijheid te definiëren dan krijg je vaak een glazige blik en een antwoord als “ja, je weet toch wel wat vrijheid is?”. Dit is voor ons niet goed genoeg. We hebben allereerst een duidelijke en logisch consistente definitie van het concept vrijheid nodig. Deze zal ik geven, en hierna zal ik analyseren hoe de overheid omgaat met vrijheid.

Het concept van “vrijheid” laat zich niet gemakkelijk definiëren, en voor veel mensen blijft een harde definitie ongrijpbaar. Zo geeft het nummer één resultaat op google voor de zoekterm “vrijheid” ons de volgende definitie:

“Een toestand waarin je kunt gaan en staan waar je wilt” 12

Op het eerste gezicht lijkt dit een prima definitie. Als kunt gaan en staan waar je wilt ben je zeker vrij. Een toestand waarin je kunt gaan en staan waar je wilt impliceert dus vrijheid voor de betreffende persoon, maar op aarde ben je zelden alleen. Gestrand op een onbewoond eiland zou deze definitie prima voldoen, maar wat als er een tweede persoon aanspoelt. Heeft deze persoon nu het recht om jouw hut te betreden en in jouw bed te slapen? Volgens de bovenstaande definitie zeker, deze persoon is immers vrij om te gaan en staan waar hij wilt.

In een wereld zonder schaarste zou de bovenstaande definitie ook voldoen, maar zo een wereld is compleet ondenkbaar. Tijd en ruimte zijn altijd schaars en zullen altijd schaars blijven, en zolang er schaarste is is er conflict. Verschillende mensen willen tegelijk dezelfde goederen gebruiken. In ons voorbeeld hierboven willen twee mensen van hetzelfde bed gebruik maken. Twee mensen kunnen geen gebruik maken van dezelfde ruimte, en dus komen de vrijheden van deze twee mensen in conflict. Wiens vrijheid komt nu eerst? We hebben een probleem.

Om van een universeel recht te kunnen spreken moet het recht natuurlijk universaliseerbaar zijn. Het moet iedereen tegelijk en evenveel betreffen. Een universeel recht om “te gaan en staan waar men wilt” kan dus nooit bestaan aangezien het de universaliseerbaarheidstest niet doorstaat. Aangezien het concept vrijheid altijd betrekking heeft tot één of meerdere personen is het verleidelijk om een definitie te beginnen vanuit hun oogpunt, maar deze manier zal leiden tot contradicties zodra we er een extra persoon bij pakken die buiten de eerdere groep valt. Een universele en logisch consistente definitie van vrijheid kan wel gemakkelijk gemaakt worden als we vrijheid definiëren als een zogenaamd negatief recht.

Negatieve en Positieve Rechten

Zoals duisternis gedefiniëerd wordt als het ontbreken van licht, zo kunnen we vrijheid definiëren als het ontbreken van dwang. Het is zeer eenvoudig in te zien dat deze definitie universaliseerbaar is, dus dat deze definitie iedereen dezelfde rechten geeft en dat die rechten nooit in conflict komen. We weten dat we met een negatief recht te maken hebben omdat het recht zou bestaan zelfs als niemand zou handelen. Zolang niemand jouw vrijheid wegneemt door dwang kun jij van jouw recht op vrijheid genieten. Een positief recht daarentegen kan niet bestaan zonder het handelen van anderen. Hierover later meer.

“Vrijheid is het ontbreken van dwang”

De aandachtige lezer zal op hebben gemerkt dat ik op de zaken vooruit loop. Ik noem vrijheid namelijk al een recht voordat er gecontroleerd is of het niet in conflict is met fundamentelere rechten. In mijn laatste stuk heb ik al laten zien dat men door argumentatie een voorkeur voor conflictvermijding demonstreert, en dat argumentatie de zelfbeschikking van alle partijen betrokken in het argument vooronderstelt. Dat wil zeggen, aan het feit dat men liever een conflict op lost met woorden dan met geweld kunnen bepaalde rechten onttrokken worden, onder andere het exclusieve recht op het lichaam en tijd en de arbeid die hiermee geleverd kan worden. Het recht op een lichaam en het algemenere recht op eigendom stemt voort uit wat de a priori der argumentatie3 wordt genoemd. Een argument tegen het recht op lichaam en eigendom vooronderstelt het recht op lichaam en eigendom van elke partij betrokken in het argument, en verslaat daarmee zichzelf.

Deze rechten, het recht op lichaam en eigendom, moeten dus als primair worden beschouwd. Een fundamenteel recht dat iedereen die door argumentatie een voorkeur voor een geweldloos bestaan demonstreert cadeau krijgt. Een argument tegen het bestaan van zo een recht is een demonstratieve contradictie, omdat het voeren van het argument mijn recht op lichaam en eigendom bevestigt, en de voorkeur van de voerder van het argument voor geweldminimalisatie verraadt. Geen andere regel kan in conflict met dit fundamenteel recht verkeren en toch gepromoveerd worden tot recht, en elk zogenaamd `recht’ dat conflicteert met zo een oerrecht is slechts een betekenisloze regel die leeft onder valse naam.

Gelukkig is het gemakkelijk in te zien dat vrijheid zoals gedefiniëerd als hierboven hand in hand gaat met het recht op lichaam en eigendom. Sterker, we kunnen zelfs stellen dat het concept vrijheid slechts een gevolg is van het naleven van dit fundamentele recht. Immers ontstaan conflicten altijd omwille een of ander schaars goed, zij dat een fysiek goed zoals eten of land, een niet-fysiek goed zoals een dienst of een mening (gedachtengoed)4, of een abstract goed zoals ruimte of tijd. Een wereld zonder dwang is dus slechts een wereld waarin iedereen de volledige beschikking heeft over zijn of haar lichaam en goederen, ofwel, waar ieders recht op lichaam en eigendom gerespecteerd wordt.

Positieve Vrijheid

Door vrijheid te definieren als het ontbreken van dwang worden ook vaak genoemde problemen in de kiem gesmoord. We hebben al gezien dat we ons met een definitie als “Een toestand waarin je kunt gaan en staan waar je wilt”12 begeven in een moeras van contradicties. Met deze definitie kan vrijheid geen universeel recht zijn zonder een eindeloos web van uitzonderingen. Wat als ik in het huis van mijn buurman wil staan, of als ik wil staan waar jij nu staat? Deze definitie is duidelijk niet alomvattend.

Een begrip als positieve vrijheid kan dan ook absoluut niet bestaan. Positieve vrijheid betekent zoiets als “(…)dat wat men wil ook werkelijk in vrijheid en zelfstandigheid kan worden nagestreefd.”3 Binnen deze definitie van vrijheid moeten de rechten van de één geschonden worden om de “positieve vrijheid” van een ander te garanderen. Het is duidelijk dat zo een regel niet universaliseerbaar is. Zonder universaliteit kunnen we niet spreken van een universeel recht en hebben we het slechts over een arbitraire regel. Erger zelfs, deze regel is in direct conflict met eerder gestelde rechten en moet dus verworpen worden als onethisch.

Een voorbeeld: Stel je de situatie voor van een dichtbevolkte stad als Amsterdam, waar huizenprijzen hoger worden dan de gemiddelde persoon zich kan veroorloven. In principe heeft iedereen de vrijheid om zich te begeven op de huizenmarkt, maar niet iedereen kan zijn doel van het kopen van een huis in Amsterdam ook echt bereiken. De staat, met het oog op positieve vrijheid, grijpt in; ze koopt woningen op en biedt deze aan tegen een lage huur aan mensen die kunnen bewijzen dat ze niet welvarend genoeg zijn om een huis te kopen. Ook stelt ze maximumprijzen om zo “huisjesmelkers” tegen te werken. Kunnen we hier nog spreken van vrijheid?

Het antwoord moet een volmondig “Nee!” zijn. De staat kan niet kopen zonder eerst geld af te nemen van anderen, en kan slechts eigendommen invorderen als ze eerst van iemand anders waren. Beide situaties schenden het recht op eigendom. Ook regulatie van huizenprijzen is in schending van dit recht. De staat schendt het recht op eigendom door eisen te stellen aan het gebruik van het eigendom, en boetes op te leggen als niet aan deze eisen wordt voldaan. Het eigendom is nu slechts eigendom in naam, aangezien de staat bepaalt hoe het gebruikt dient te worden.

De Staat

Het voorgaande voorbeeld is helaas geen ongelukkige uitzondering. Schending van het fundamentele recht op eigendom is de enige logische uitkomst van elk staatsingrijpen. Ieder mens ontvangt bepaalde universele rechten door het redeneringsvermogen van zijn geest. Vrijheid, zoals hierboven gedefiniëerd als het ontbreken van dwang, is een negatief recht en heeft dus als enige voorwaarde dat er geen schending van rechten plaats vindt. De staat schendt het natuurlijk recht op lichaam en eigendom in directe zin door het heffen van belasting, en in minder directe zin door het wegnemen van spaargeld door middel van het drukken van nieuw geld4. Maar zelfs als we deze twee punten laten voor wat ze zijn houdt het onrecht niet op. De staat stelt zichzelf aan als monopolist van veiligheidsproductie en dwingt een ieder in te stemmen met haar unilaterale rechtspraak, en ze reguleert het gebruik op (bijna alle) goederen waardoor het eigendomsrecht alleen nog in vorm bestaat.

In deze zin heeft de democratische staat gefaald als producent van vrijheid. Het mechanisme dat ons onze rechten en vrijheid had moeten garanderen dient slechts als hefboom voor de meerderheid om de minderheid te onderwerpen aan haar wil. De staat kan geen vrijheden in het leven roepen, slechts wegnemen. Als de staat een functie vervult moet dit een andere functie zijn dan de productie van vrijheid, en als deze functie waardevol is dan moet deze functie waardevoller zijn dan het fundamentele recht op vrijheid, lichaam en eigendom van ieder mens dat leeft binnen de grenzen van deze staat.

  1. https://www.google.nl/search?q=vrijheid
  2. www.encyclo.nl/begrip/vrijheid
  3. https://www.amnesty.nl/encyclopedie/vrijheid-en-mensenrechten
  4. In Europa nu de ECB

Leave a Comment