Diefstal bij Daglicht

Een staat bepaalt unilateraal de prijs van haar diensten en maakt consumptie ervan verplicht. In deze zin kan een staat niet functioneren zonder diefstal. Ik bedoel dit in de meest letterlijke zin van het woord: “het onrechtmatig toe-eigenen van andermans bezit”. De staat kan niet functioneren zonder zich eigendommen van haar burgers toe te eigenen, in de vorm van belasting, door het drukken van geld, of op regulatieve wijze. Instemming met de staat impliceert instemming met diefstal (in bepaalde situaties). Óf je keurt diefstal af, en daarmee ook de staat, óf je keurt diefstal goed. Een alternatief intellectueel consistent standpunt bestaat niet.

De overheid heeft geld nodig om te functioneren, immers moet overheidspersoneel betaald worden en overheidsprojecten bekostigd. Waar haalt de overheid dit geld vandaan? De twee grootste bronnen zijn deze: belasting en inflatie. Beide zijn equivalent aan diefstal, zoals ik in het volgende argument zal laten zien. In wat hierna komt zal ik belasting en inflatie beide als `belasting’ aanduiden, aangezien een onderscheid voor dit argument niet nodig is.1 Door belastingheffing eigent de overheid zich iets toe wat niet van haar is. Het betalen van belasting is niet vrijwillig, zoals iedereen die dit wel eens heeft geprobeerd kan beamen. Nu is dit in principe nog geen probleem, want we voldoen nog niet aan de complete definitie van diefstal. Bezit en eigendom zijn niet equivalent, ik kan andermans eigendom bezitten en ik kan mijn eigendom momenteel niet in mijn bezit hebben. Het mijzelf toe-eigenen van mijn eigendom dat in andermans bezit is is dan ook geen diefstal, maar puur rechtmatig. Het sleutelwoord hier is Onrechtmatig.

Onrecht

Waar komen rechten vandaan? Een gemakkelijk antwoord is dat rechten voortkomen uit de staat. De staat zou een soort verbond zijn van mensen die onder hetzelfde recht willen leven. Voor handhaving van dit recht zou deze groep mensen een overheid in het leven roepen met alleenrecht op de productie van veiligheid. Deze overheid heeft natuurlijk geld nodig om te fungeren en iedereen wordt om die reden een kleine contributie verplicht. Deze theorie klinkt aannemelijk, maar een zoektocht naar een staat die daadwerkelijk op deze wijze is ontstaan levert weinig op. Elke staat is ontstaan met geweld en exploitatie. Dat er in sommige staten ergens in de geschiedenis een grondwet is opgesteld verandert weinig aan de zaak.2 Er is nogsteeds een systeem van machthebbers vs machtelozen, het enige verschil is dat de machtelozen nu een kleine kans hebben om machthebbers te worden.

We zijn dus geen stap verder, en deze theorie biedt geen definitief antwoord. Om definitief antwoord op onze vraag te kunnen geven is het handig om een tweedeling van moggelijke situaties te maken. Aan de ene kant kunnen we stellen dat de staat de auteur is van alle rechten, met als gevolg dat een recht slechts een arbitraire regel van de staat wordt. De tegenstelling hiervan is dan de stelling dat er rechten zijn buiten arbitraire regels, die op een of andere manier `natuurlijk’, dat wil zeggen zonder arbitraire keuzes, zijn, en daarmee de staat voorbestaan.

Conflict

Om het voorgenoemde dilemma op te lossen zullen we beginnen met een eenvoudige vraag: waarom bestaat een staat überhaupt? Het is niet onmiddelijk duidelijk waarom een staat bestaat in plaats van niet Ik claim dat het bestaan van een staat alleen mogelijk is als de mens een conflictloos bestaan verkiest boven een conflictvol bestaan. De mens handelt dus met als doel vermijding van geweld. Het is menseigen om te proberen zo conflictloos mogelijk te leven. De reden is simpel, een conflict is vaak kostbaarder dan geen conflict. Woorden zijn goedkoop, en dus prefereert men een woordenwisseling boven een vuistgevecht. Dit principe geldt zelfs voor de grootste aggressievelingen; zelden begint een gevecht zonder voorafgaande woordenwisseling. Als men geweld boven geen vrede zou verkiezen dan zou ik dit stuk nieteens schrijven, de samenleving zou onmogelijk zijn.

Hoe bereikt de mens zijn doel van zo vreedzaam mogelijk leven? Immers zijn conflicten onvoorkomelijk. We leven in een wereld vol schaarse goederen, en die kunnen niet door iedereen tegelijk worden gebruikt. Een belangrijk gereedschap is dan argumentatie. Met argumentatie kun je een ander geweldloos overtuigen van jouw standpunt. Dit lijkt volkomen triviaal, maar er is een belangrijk principe dat argumentatie onderligt dat gemakkelijk te missen is. Ten eerste is argumentatie iets puur menselijks.3 Ten tweede ga je ervan uit dat de persoon waarmee je in gesprek bent een lichaam bezit, en de controle daarover.4 Je gaat niet in (diepe) discussie met een verstandelijk gehandicapte of een jong kind, aangezien deze gelimiteerde controle heeft over zijn/haar lichaam.

Hierin verborgen zit ons eerste recht. Namelijk, een argument over rechten vooronderstelt dat we argumentatie waardevol vinden, en argumentatie vooronderstelt dat we lichamelijke integriteit waardevol vinden. Het exclusieve bezit van een lichaam gaat dus vooraf aan elk argument én doorstaat de universaliteitstest, en kan dus een recht genoemd worden. Op deze wijze hebben we een recht ontdekt dat onmogelijk door de staat kan worden bedacht, want voor het onstaan van de staat is argumentatie vereist. Maar dan moeten we concluderen dat er rechten zijn die onafhankelijk van de staat bestaan.

Eigendom

Dit primaire recht op het exclusieve eigendom van een lichaam is gemakkelijk te generaliseren tot het volgende: het recht op eigendom. Elk ander recht kan vervolgens beschreven worden in dit oerrecht. Het recht op vrijheid van meningsuiting wordt simpelweg het recht op het gebruiken van mijn lichaam, ofwel het gebruiken van mijn eigendom. Hoe kom je rechtmatig aan eigendom? Door jezelf eigen te maken wat van niemand is of door contractuele overdracht. Op deze manier wordt kristalhelder hoe de toeeigening van de staat van jouw eigendom door middel van belasting of inflatie nooit rechtmatig genoemd kan worden; het is in conflict met het primaire recht: het recht op eigendom.

Ook het geven van een speciaal recht aan de staat dat dit primair recht overstemt is slechts morele oneerlijkheid. Namelijk, wie geeft de staat dit recht? Dat is de staat zelf. Dit recht kan dus slechts bestaan na het universeel recht op eigendom, en daarmee het principe van onrechtmatige toe-eigening van eigendom, ofwel diefstal. De staat geeft zichzelf met deze regel dus zeer letterlijk het recht op diefstal.

Conclusie

De mens vermijdt gewelddadig conflict, en geeft daarom in het geval van conflict zijn voorkeur aan argumentatie boven gevecht. Maar voor argumentatie zijn bepaalde eigenschappen noodzakelijk, namelijk, beide partijen moeten in het bezit zijn van een lichaam en de exclusieve controle hebben daarover. Dit laat zien dat het principe van conflictvermijding leidt tot het recht op lichamelijk eigendom, waarvan de generalisatie het recht op eigendom is. Dit is een natuurlijkuniverseel en negatief recht. Dat wil zeggen, natuurlijk omdat de contrapositie lijdt tot een contradictie5universeel omdat het iedereen met een lichaam gelijkmatig betreft en negatief omdat er geen goederen of diensten van anderen nodig zijn voor mijn genieten van dit recht.

Aangezien dit recht en dus het principe van onrechtmatige toe-eigening van eigendom de staat voorgaat is onze conclusie dat de staat het recht op diefstal nodig heeft om te bestaan.

Aanvulling: Noodzaak

Natuurlijk is diefstal altijd onrechtmatig, maar soms moreel te rechtvaardigen. Slechts weinig mensen zouden een moeder die steelt om haar kinderen te voeden veroordelen. Het argument vóór de staat maar dat toch diefstal afkeurt en intellectueel consistent probeert te blijven klinkt dan ongeveer als volgt: Ja `diefstal’, als je het per se zo wilt noemen, is nodig voor het functioneren van de staat, maar in sommige situaties is het alternatief op een onrechtmatige daad onwenselijker dan de daad zelf. De staat vervult bepaalde functies die anders niet kunnen bestaan en dus rechtvaardigt het doel de onrechtvaardige middelen.

Dit argument klinkt zeker consistent en er is opzich niets mis mee, maar het hangt op het feit dat de staat daadwerkelijk bepaalde functies vervult die niet kunnen bestaan zonder de staat én dat die functies moeten bestaan. Immers kan ik geen zwembad vullen met al het geld op aarde als ik niet de middelen heb om me dit geld toe te eigenen, maar dat betekent niet dat ik om die reden de middelen moet hebben om mijn fantasie waarheid te maken. In ieder geval zijn er sterke aanwijzingen dat het meerendeel van de functies die de staat nu vervult ook vervuld zouden worden zonder staat, en dat de staat veelal ontzettend inefficient werkt en dus bepaalde functies nieteens zou hoeven vervullend als ze zich niet het alleenrecht op die functies had toegeëigend. Voorbeelden zijn infrastructuur (tolwegen, privéwegen), veiligheid (privébeveiliging, verzekering) en recht (arbitrage). Voor meer informatie zie bijvoorbeeld the Privatization of Roads and Highways door W. Block, the Economics and Ethics of Private Property door H. Hoppe, Chaos Theory door R.P. Murphy.

  1. Inflatie, dus het vergroten van de geldvoorraden zonder toevoeging van waarde, heeft als effect een afname van de koopkracht van geld. Op deze manier kan inflatie, voor dit argument, gezien worden als een extra belastingheffing op spaargeld.
  2. Een grondwet kan onmogelijk een geldig contract zijn, want hoe kan het dat ik beslis voor iemand die nog niet geboren is? Zie over dit onderwerp ook No Treason L. Spooner
  3. Je gaat niet in discussie met een duif over de ethiek van het poepen op straat. Met je buurman zou je dit misschien nog overwegen.
  4. Immers als iemand geen controle over zijn eigen lichaam heeft is er geen reden om in discussie te gaan, de persoon kan zijn gedrag in de toekomst niet veranderen.
  5. Stel dat men geen recht heeft op eigendom, dan heeft men geen recht op een lichaam, maar ik heb het recht op een lichaam nodig voor argumentatie, en dus kan dit argument niet bestaan.

Leave a Comment